Image by cocoparisienne from Pixabay

Theodorus probeerde zijn verkleumde handen aan zijn werkkaars te warmen, tevergeefs. Snel stak hij ze in de wijde mouwen van zijn ruwe pij.

Hopelijk zouden ze hem niet betichten van luiheid, maar hoe konden ze ook verwachten dat hij kon werken met bevroren klauwen.


Hij zuchtte. Twee dagen geleden leek zijn toekomst nog in steen gebeiteld. Hij hield van zijn werk. Hij kon zo opgaan in het versieren van de letters en manuscripten, dat hij elke keer schrok wanneer de klok opriep voor de volgende mis.
Wanneer hij dacht dat zijn vingers hem weer wilden gehoorzamen, pakte hij het dunne penseel opnieuw op en doopte het in de roodbruine inkt. Bijna de kleur van haar haren.


Zijn hand bleef boven het perkament zweven. Hij kon de dochter van de marskramer maar niet uit zijn hoofd zetten. Ze waren hier gisteren om het klooster de dure pigmenten te verkopen. Ze had zo vriendelijk naar hem geglimlacht dat hij helemaal warm was geworden van binnen.


En vannacht had hij liggen woelen en denken hoe het zou zijn om samen met die twee te gaan reizen, haar man te worden en weer gewoon Theo te worden en dit terwijl hij wordt geacht volgende week zijn geloften af te leggen.


De kerkklok luidde. De jonge novice legde zijn penseel neer en trok de kap over zijn hoofd. Langzaam bewogen de broeders zich naar de uitgang van het donkere scriptorium. Hij sloot de rij. Wanneer ze langs de hoofdingang van de klooster liepen, zag hij dat die op een keer stond…