Image by MrsKirk72 from Pixabay

Lui lag de slang op zijn tak te genieten van de zon die zijn lijf opwarmde. Hij keek naar de twee muisjes, die hun nest hadden gebouwd tussen de boomwortels. Grappige, diertjes, dacht de slang en at nog een fris groen blaadje.


Plotseling zag hij haar staan. Een naakte vrouw met een angstig verlangen in haar ogen. Eerst keek ze om zich heen, plukte een boomvrucht en nam een hap voor ze wegsnelde.


De slang voelde een rilling en het blaadje smaakte hem niet meer, kon hem niet meer voeden. Angstig renden de muisjes in het gras. Een vreemd verlangen kwam in hem op, om zich op de muizen te storten en op te vreten.


Verward over deze afschuwelijke impuls, zag hij de vrouw met de man terugkomen. De vrouw plukte nog een vrucht en gaf het hem. Aarzelend nam ook hij een hap. De slang voelde ineens hoe ruw de boombast was. Ook het mensenpaar voelde zich blijkbaar niet op hun gemak.


De Hovenier kwam naar hen toe. Hij…Hij viel niet te beschrijven, maar blij leek Hij niet. Na angstig gepraat wees de man naar de vrouw en de vrouw wees naar hem, de slang! Woest greep de Hovenier hem beet, smeet hem op de grond en stuurt hem onder een stortvloed van boze woorden weg.


De woede over de valse beschuldiging brandde in zijn borst en vormde gif in zijn tanden. Handig om muisjes te vangen, maar als hij ooit weer een mens tegen komt, dan … Hap!